ECLI:NL:RVS:2014:2083
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- B.P. Vermeulen
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellant, samen met zijn partner en drie kinderen, vluchtte in 2001 naar Nederland en had geen rechtmatig verblijf volgens de Vreemdelingenwet 2000. De Belastingdienst wees zijn aanvraag voor een kindgebonden budget voor 2011 af omdat hij niet verzekerd was op grond van de Algemene Kinderbijslagwet, wat vereist is voor het kindgebonden budget.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het niet toekennen van het budget niet in strijd was met het discriminatieverbod van het EVRM, omdat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die tot een uitzondering zouden leiden. Appellant voerde aan dat zijn gezin kwetsbaar is, met slechte gezondheid en armoede, en dat de rechtbank ten onrechte deze omstandigheden niet meewoog.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het koppelingsbeginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het onderscheid en dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de wettelijke bepalingen buiten toepassing moeten worden gelaten. Ook het beroep op het IVRK faalt omdat de belangen van het kind voldoende zijn betrokken door de Belastingdienst. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget bevestigd.