ECLI:NL:RVS:2014:2353
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid bezwaar mvv wegens termijnoverschrijding
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van vreemdelingen tegen een besluit tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De rechtbank had geoordeeld dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaar verschoonbaar was omdat het besluit geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte en de vreemdelingen niet werden bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De vreemdelingen hadden immers later een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aangevraagd, waarbij wel een rechtsmiddelenverwijzing was opgenomen, en gelet op de bekendheid binnen de Turkse gemeenschap kon worden aangenomen dat zij tijdig wisten dat zij bezwaar moesten maken. Daarom had de rechtbank het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Daarnaast vernietigde de Afdeling het besluit van 16 april 2014 waarin het bezwaar niet-ontvankelijk werd verklaard, omdat de grondslag daarvoor was komen te vervallen. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris geen dwangsom verschuldigd was omdat hij binnen twee weken na een schriftelijke ingebrekestelling had beslist. De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.