ECLI:NL:RVS:2014:2436
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verzoek uitzetting achterwege te laten op medische gronden
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het bezwaar van een vreemdeling tegen uitzetting op medische gronden gegrond had verklaard. De vreemdeling had verzocht om uitzetting achterwege te laten op basis van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege medische omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit van 7 mei 2013 in strijd was met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De staatssecretaris had zich terecht gebaseerd op een deskundigenadvies van het Bureau Medische Advisering (BMA) en had niet hoeven doorverwijzen naar een brief van de behandelaars van de vreemdeling. De brief gaf geen voldoende onderbouwing dat de alternatieve medicatie in het herkomstland niet geschikt zou zijn.
Verder stelde de vreemdeling dat er geen mantelzorgnetwerk in het herkomstland aanwezig was, maar hij had dit niet met voldoende bewijs onderbouwd. De staatssecretaris hoefde geen aanvullend onderzoek te doen naar deze stelling. Ook het argument dat noodzakelijke behandeling niet beschikbaar zou zijn, werd verworpen omdat de medische zorg in het herkomstland volgens het BMA-advies wel aanwezig was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.