ECLI:NL:RVS:2014:254
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs onmenselijke detentie in Malta
De vreemdeling diende op 7 maart 2013 een asielaanvraag in Nederland in, maar Malta werd als verantwoordelijke lidstaat aangewezen op grond van de Dublinverordening. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens deze verantwoordelijkheid. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling stelde dat zij bij overdracht aan Malta gedetineerd zou worden onder omstandigheden die in strijd zijn met artikel 3 EVRM Pro, verwijzend naar jurisprudentie van het EHRM en rapporten over de situatie in Malta. De staatssecretaris betoogde dat Dublinclaimanten in Malta niet automatisch worden gedetineerd en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat zij opnieuw strafrechtelijk vervolgd zou worden.
De Afdeling oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende bewijs had geleverd dat de detentieomstandigheden in Malta onmenselijk zijn en dat mogelijke detentie geen reden is om de behandeling van het asielverzoek in Nederland te houden. De verwijzingen naar jurisprudentie en rapporten boden geen grond voor een ander oordeel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag bevestigd.