ECLI:NL:RVS:2014:2547
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat rechtsgevolgen van besluit tot afwijzing uitzettingsuitstel in stand blijven
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 4 maart 2013 een aanvraag van een vreemdeling af om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit op 11 juli 2013. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 november 2013 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) niet inzichtelijk was, ondanks verschil van inzicht met de behandelaar over de medische situatie van de vreemdeling. Het BMA had gemotiveerd geconcludeerd dat geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten was bij uitblijven van behandeling.
De Afdeling stelde vast dat de rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2013 in stand kunnen blijven en vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze dat niet had bepaald. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €487,00. Hiermee werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard en de rechtsbescherming van de vreemdeling niet verder uitgebreid dan noodzakelijk.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het besluit van 11 juli 2013 blijven geheel in stand en het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard.