ECLI:NL:RVS:2014:2601
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot opheffing ligplaatsverbod in watergang Leidschendam-Voorburg
Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg heeft bij besluit van 5 oktober 2011 de aanvraag van appellant tot wijziging van het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen 2004 afgewezen. Het verzoek betrof het opheffen van het ligplaatsverbod in een watergang die grenst aan het perceel van appellant. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het besluit gehandhaafd. Appellant stelde dat het college gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat ligplaatsen zouden worden toegestaan, onder meer door correspondentie en het ontbreken van handhaving.
De Raad van State oordeelt dat voor het vertrouwensbeginsel concrete, ondubbelzinnige toezeggingen nodig zijn, die niet uit het dossier blijken. Het betrekken van omwonenden bij de brugvervanging en onderzoeken naar ligplaatsen vormen geen toezeggingen. Ook het niet handhaven van het verbod is onvoldoende om een rechtens te honoreren verwachting te creëren. De rapporten van nautische deskundigen wijzen op fysieke beperkingen en het ontbreken van bereidheid van omwonenden om afspraken te maken, wat het college in redelijkheid heeft betrokken bij zijn besluit.
Voorts is het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat de insteekhavens van andere omwonenden op eigen terrein liggen en niet in openbaar water, zodat het ligplaatsverbod daar niet geldt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot handhaving van het ligplaatsverbod bevestigd.