ECLI:NL:RVS:2014:2698

Raad van State

Datum uitspraak
8 juli 2014
Publicatiedatum
16 juli 2014
Zaaknummer
201403729/2/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Italië wegens risico schending mensenrechten

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 4 februari 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling ging hiertegen in beroep bij de rechtbank Den Haag, die op 15 april 2014 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De vreemdeling betoogde dat zij met haar twee jonge kinderen, beiden jonger dan vijf jaar, na overdracht aan Italië in een situatie zou komen die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM, dat verbiedt dat iemand wordt blootgesteld aan onmenselijke of vernederende behandeling. De staatssecretaris gaf aan zich niet te verzetten tegen een voorlopige voorziening in gevallen van gezinnen met jonge kinderen, in afwachting van een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State besloot daarom de overdracht aan Italië te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, bestaande uit kosten van rechtsbijstand door een derde.

Uitkomst: De overdracht van de vreemdeling aan Italië wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

201403729/2/V4.
Datum uitspraak: 8 juli 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kinderen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 april 2014 in zaak nr. 14/2932 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 februari 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 15 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het verzoek is erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling wordt overgedragen aan Italië gedurende de behandeling van het ingestelde hoger beroep. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij met haar twee jonge kinderen, geboren respectievelijk op 4 januari 2010 en 22 november 2012, na overdracht aan Italië in een situatie komt te verkeren die in strijd is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2. Uit zijn antwoorden van 2 juli 2014 op vragen van een lid van de Tweede Kamer (met kenmerk 2014Z10275) volgt dat de staatssecretaris in lijn met de situatie in Denemarken en in afwachting van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zaak nr. 29217/12, Tarakhel tegen Zwitserland, zich niet zal verzetten tegen een toewijzing van een verzoek om een voorlopige voorziening indien het gaat om gezinnen met een kind jonger dan vijf jaar of van wie één van de gezinsleden een ernstige lichamelijke of geestelijke ziekte heeft. Nu de vreemdeling twee kinderen heeft die jonger zijn dan vijf jaar en haar is aangezegd dat zij op 9 juli 2014 zal worden overgedragen, komt het verzoek reeds hierom voor toewijzing in aanmerking.
3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt overgedragen totdat op het door haar ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Engelhart, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Engelhart
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2014
643.