ECLI:NL:RVS:2014:2954
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A.G. de Vries-Biharie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen afwijzing schadevergoeding wegens langdurige behandeling verblijfsvergunning
De appellant diende op 27 oktober 1998 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning. Na een langdurige procedure verleende de staatssecretaris op 7 maart 2007 alsnog een verblijfsvergunning met toepassing van het driejarenbeleid. De appellant verzocht vervolgens om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de behandeling, maar dit verzoek werd door de minister en later door de staatssecretaris afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat zij bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep, ondanks dat de aanvraag dateert van vóór de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000. Ook wordt overwogen dat het verzoek om schadevergoeding niet is verjaard, omdat de verjaringstermijn pas begon te lopen vanaf het onherroepelijk vaststaan van het besluit van 7 maart 2007.
De appellant stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij niet had aangetoond dat hij immateriële schade had geleden als gevolg van de lange duur van de behandeling. De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat de door appellant overgelegde psychiatrische rapporten geen direct verband aantonen tussen de lange duur van de behandeling van de aanvraag van 27 oktober 1998 en de gestelde immateriële schade. Ook is geoordeeld dat de staatssecretaris niet verplicht was het driejarenbeleid eerder toe te passen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.