ECLI:NL:RVS:2014:3048

Raad van State

Datum uitspraak
6 augustus 2014
Publicatiedatum
13 augustus 2014
Zaaknummer
201403543/1/V4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 67 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging inreisverbod wegens onbevoegdheid rechtbank en gegrondverklaring beroep vreemdeling

De vreemdeling was bij besluit van 2 oktober 2008 ongewenst verklaard en deze ongewenstverklaring was nog steeds van kracht na beëindiging van een tijdelijke opheffing in 2011. Op 15 januari 2014 vaardigde de staatssecretaris een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De rechtbank verklaarde zich op 22 april 2014 onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het inreisverbod, omdat het inreisverbod volgens haar geen zelfstandig rechtsgevolg had zolang de ongewenstverklaring voortduurde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze onbevoegdverklaring. De Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar een eerdere uitspraak van 17 mei 2013, waarin werd geoordeeld dat het uitvaardigen van een inreisverbod tegen een ongewenstverklaarde vreemdeling niet is toegestaan zolang de ongewenstverklaring voortduurt. De Afdeling stelde echter vast dat het inreisverbod wel degelijk op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en dat de rechtbank ten onrechte zich onbevoegd had verklaard.

Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank voor zover het zich onbevoegd verklaarde en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Het inreisverbod van 15 januari 2014 werd vernietigd. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, zijnde €487,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Uitkomst: Het inreisverbod van 15 januari 2014 wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

201403543/1/V4.
Datum uitspraak: 6 augustus 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 april 2014 in zaken nrs. 14/8354 en 14/8556 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2014, voor zover thans van belang, heeft de staatssecretaris een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 april 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, zich onbevoegd verklaard van het tegen het inreisverbod ingestelde beroep kennis te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard van het beroep tegen het inreisverbod kennis te nemen. De rechtbank heeft daartoe volgens de vreemdeling ten onrechte redengevend geacht dat, nu zijn ongewenstverklaring nog immer van kracht is, het uitgevaardigde inreisverbod geen op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluit is. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2013 in zaak nr. 201208121/1/V3, het beroep tegen het inreisverbod gegrond had moeten verklaren en het inreisverbod had moeten vernietigen.
2. Niet in geschil is dat de vreemdeling bij besluit van 2 oktober 2008 ongewenst is verklaard en dat die ongewenstverklaring, door de beëindiging van de tijdelijke opheffing daarvan bij besluit van 17 juni 2011, nog immer van kracht is.
2.1. In voormelde uitspraak van 17 mei 2013 heeft de Afdeling overwogen dat grond bestaat voor het oordeel dat de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 67, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zich ertegen verzetten dat de staatssecretaris jegens een vreemdeling die ongewenst is verklaard een inreisverbod uitvaardigt, zolang de ongewenstverklaring voortduurt. In de beslissing van die uitspraak heeft de Afdeling, na de gegrondverklaring van het hoger beroep, de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover daarin het beroep tegen het inreisverbod ongegrond is verklaard, het beroep van de vreemdeling, voor zover gericht tegen het inreisverbod, gegrond verklaard en het inreisverbod vernietigd.
2.2. Naar volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2013 brengt de omstandigheid dat het inreisverbod is uitgevaardigd tegen een ongewenstverklaarde vreemdeling niet mee dat dit inreisverbod niet op rechtsgevolg is gericht. Door zich onbevoegd te verklaren van het beroep tegen het inreisverbod kennis te nemen heeft de rechtbank dit niet onderkend.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep tegen het inreisverbod kennis te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod van 15 januari 2014 alsnog gegrond verklaren en het inreisverbod vernietigen.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 april 2014 in zaak nr. 14/8556, voor zover de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van het beroep tegen het inreisverbod kennis te nemen;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond, voor zover dit is gericht tegen het inreisverbod;
IV. vernietigt het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod van 15 januari 2014, V-nummer 200.608.1375;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Spoel w.g. Prins
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014
371-775.