ECLI:NL:RVS:2014:328
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Handhaving bestemmingsplan bij gebruik perceel voor schapenverkoop en slachtactiviteiten
Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel legde op 27 oktober 2011 aan appellante een last onder dwangsom op wegens het gebruik van een perceel in strijd met het bestemmingsplan. Het perceel werd gebruikt voor het houden en verkopen van schapen ten behoeve van het islamitisch offerfeest, terwijl het bestemmingsplan agrarisch gebruik voorschrijft gericht op voortbrenging van producten. Appellante voerde aan dat het houden van schapen een agrarische activiteit betrof en dat het bestemmingsplan geen nadere eisen stelde.
De rechtbank oordeelde dat het gebruik niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan en stelde de dwangsom lager vast. Zowel appellante als het college gingen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dat het houden en verkopen van schapen op het perceel zelfstandige handelsactiviteiten zijn en niet als agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik kunnen worden aangemerkt. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het college bevoegd was handhavend op te treden.
Verder verwierp de Afdeling het betoog van appellante dat bijzondere omstandigheden handhaving zouden uitsluiten, en oordeelde dat de dwangsom van het college in redelijke verhouding stond tot het geschonden belang en de beoogde werking. Het hoger beroep van het college werd gegrond verklaard, dat van appellante ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 20 maart 2012 werd alsnog ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het handhavingsbesluit wordt verworpen.