ECLI:NL:RVS:2014:3469
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep Belastingdienst tegen uitspraak rechtbank inzake kinderopvangtoeslag 2009
De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 3 oktober 2012 het aan de wederpartij toegekende voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 op nihil, omdat niet was aangetoond dat de opvang plaatsvond op basis van een schriftelijke overeenkomst die aan alle wettelijke eisen voldeed. De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit en bepaalde dat de Belastingdienst opnieuw moest beslissen, mede omdat de dienst de wederpartij niet had gehoord en het grote tijdsverloop meewoog.
In hoger beroep betoogde de Belastingdienst dat aanspraak op kinderopvangtoeslag alleen bestaat indien de opvang plaatsvond op basis van een overeenkomst die voldoet aan alle eisen van artikel 11 van Pro de Regeling Wet kinderopvang. De Afdeling bevestigde dat de overeenkomst alle vereiste gegevens moet bevatten en dat de ouder dit moet aantonen.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte waarde had gehecht aan een later overgelegde driepartijenovereenkomst waarvan de authenticiteit twijfelachtig was en die niet tijdig was overgelegd. De Belastingdienst mocht aannemen dat de opvang niet op basis van een rechtsgeldige overeenkomst had plaatsgevonden. Het hoger beroep van de Belastingdienst werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de wederpartij tegen het besluit van de Belastingdienst wordt ongegrond verklaard.