ECLI:NL:RVS:2014:430
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
Bij besluit van 7 april 2011 wees de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van vreemdelingen af om uitzetting op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000 achterwege te laten. Na bezwaar verleende de minister op 18 september 2012 uitstel van vertrek voor de periode van 18 september 2012 tot 18 september 2013. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht tot een nieuw besluit met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het uitstel niet met terugwerkende kracht kon worden toegekend en dat de vreemdelingen belang hadden bij een eerdere ingangsdatum. Tevens stelde hij dat alleen het meest recente advies van het Bureau Medische Advisering relevant is en dat het beleid om artikel 64 Vw Pro niet met terugwerkende kracht toe te passen rechtmatig is.
De Afdeling overwoog dat artikel 64 Vw Pro geen bepaling bevat over de ingangsdatum van het uitstel en dat het rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 Vw Pro een ander karakter heeft dan een verblijfsvergunning. Het beleid van de staatssecretaris om het uitstel niet met terugwerkende kracht toe te kennen is niet onredelijk. Wel oordeelde de Afdeling dat het besluit van 18 september 2012 onvoldoende is gemotiveerd omdat het beleid niet als beleidsregel is vastgesteld en de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom hij in dit concrete geval aan het beleid vasthield.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motieven. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.