ECLI:NL:RVS:2017:2293
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- J. Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering onderdak en leefgeld aan vreemdeling op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
De vreemdeling verblijft sinds 2000 in Nederland en is door de staatssecretaris aangemerkt als persoon op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, waardoor zijn asielaanvragen zijn afgewezen en een inreisverbod van tien jaar is opgelegd. De vreemdeling verzocht om onderdak en leefgeld, maar dit werd door de staatssecretaris geweigerd en deze weigering werd door de rechtbank bevestigd.
De vreemdeling stelde dat de weigering een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert vanwege een duurzaam uitzetbeletsel en dat op grond van artikel 8 EVRM Pro een positieve verplichting tot hulpverlening bestond. De staatssecretaris voert een beleid waarbij vreemdelingen die onder artikel 1(F) vallen en niet binnen redelijke termijn kunnen vertrekken, in beginsel geen opvang krijgen, om te voorkomen dat Nederland een vluchthaven wordt.
De Afdeling oordeelt dat deze interne gedragslijn niet onredelijk is en dat het algemeen belang zwaarder weegt. De vreemdeling verkeert niet in een situatie van onverenigbaarheid met menselijke waardigheid die officiële onverschilligheid zou rechtvaardigen. Tevens heeft de vreemdeling een sociaal netwerk dat hem opvangt. Het beroep op artikel 3 en Pro 8 EVRM faalt en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van onderdak en leefgeld aan de vreemdeling en verklaart het hoger beroep ongegrond.