ECLI:NL:RVS:2014:47
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht opgelegde boete Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 11 augustus 2010 een boete van €224.000,- op aan [appellante] wegens 28 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van [appellante] gegrond, stelde de boete vast op €201.600,- en vernietigde het oorspronkelijke besluit. Zowel de minister als [appellante] gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de vraag of de stagiairs, Indonesische studenten die stages liepen bij verschillende hotels, werkzaamheden verrichtten waarvoor een tewerkstellingsvergunning vereist was. De minister stelde dat het stageprogramma niet werd nageleefd, met name dat de stagiairs niet om de twee maanden rouleerden tussen afdelingen, waardoor zij reguliere werkzaamheden verrichtten zonder vergunning. [Appellante] voerde aan dat de CWI dit rouleren niet strikt had geëist en dat er overleg was geweest over de stagevereisten.
De Raad van State oordeelde dat uit de correspondentie en het overleg tussen [appellante] en de CWI blijkt dat de CWI instemde met een genuanceerde invulling van het stageprogramma, waarbij rouleren afhankelijk was van kwalificatie en leerproces van de stagiairs. De tewerkstellingsvergunningen waren derhalve terecht verleend en niet ingetrokken. De boete was onterecht opgelegd en het hoger beroep van [appellante] werd gegrond verklaard, het hoger beroep van de minister niet-ontvankelijk.
De Raad van State vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, herroept het boetebesluit en veroordeelde de minister tot betaling van een schadevergoeding van €1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan [appellante].
Uitkomst: De boete is vernietigd en de minister is veroordeeld tot vergoeding van schade en proceskosten aan [appellante].