ECLI:NL:RVS:2014:609
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Kreveld
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging wegens overtreding minimumloonwetgeving bevestigd ondanks uitbesteding loonadministratie
De minister legde aan appellant een boete van €22.500 op wegens tien overtredingen van artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Na bezwaar en wijziging van beleidsregels werd de boete verlaagd naar €12.000. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 15 mei 2012 ongegrond, maar dit besluit werd later ingetrokken door de minister.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling oordeelde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep tegen het ingetrokken besluit en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De Afdeling betrok het nieuwe besluit van 19 april 2013 in haar beoordeling.
Appellant voerde aan dat de overtredingen haar niet konden worden verweten omdat zij de loonadministratie had uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. De Afdeling oordeelde dat uitbesteding niet ontslaat van de zorgplicht om te zorgen dat het minimumloon wordt nageleefd. Er was geen reden om te concluderen dat de overtredingen niet aan appellant konden worden toegerekend.
Verder stelde appellant dat de boete onevenredig hoog was. De Afdeling overwoog dat de minister bij de boeteoplegging een discretionaire bevoegdheid heeft die moet worden uitgeoefend met inachtneming van ernst en verwijtbaarheid. De gehanteerde beleidsregel 2013 was niet onredelijk en de boete was passend en geboden.
Het beroep tegen het besluit van 19 april 2013 werd ongegrond verklaard. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het boetebesluit van €12.000 werd bevestigd.