ECLI:NL:RVS:2014:774
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Verlenging verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van juiste datum
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan een vreemdeling had toegewezen met ingang van 9 augustus 2012. De staatssecretaris betoogde dat de rechtbank ten onrechte had vastgesteld dat de vreemdeling reeds op 27 juli 2010 aan alle vereisten voldeed.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 26, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 het moment bepalend is waarop de vreemdeling aantoont aan alle vereisten te voldoen. De staatssecretaris stelde dat dit pas op 9 augustus 2012 was, de datum van het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Echter, de Raad stelt vast dat de vreemdeling op 20 juni 2012 een toestemmingsverklaring heeft overgelegd die leidde tot het advies, zodat deze datum bepalend is.
De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de toestemmingsverklaring van 27 juli 2010 als bepalend heeft gezien, omdat destijds onvoldoende medische informatie was verstrekt. De staatssecretaris heeft de aanvraag in 2011 terecht afgewezen wegens het ontbreken van een BMA-advies. De Raad vernietigt daarom het deel van de uitspraak waarin de rechtbank niet zelf in de zaak heeft voorzien, bevestigt het overige en stelt de verlenging van de verblijfsvergunning vast met ingang van 20 juni 2012 tot 9 februari 2013.
Daarnaast veroordeelt de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €487,00 voor rechtsbijstand door een derde partij.
Uitkomst: De verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt verlengd met ingang van 20 juni 2012 tot 9 februari 2013.