ECLI:NL:RVS:2016:1069
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen bestemmingsplan Rijnenburg met plattelandswoningbestemming
De raad van de gemeente Utrecht stelde op 5 maart 2015 het bestemmingsplan "Rijnenburg" vast, waarin een woning aan een perceel in De Meern als plattelandswoning werd bestemd. Appellanten voerden aan dat de woning als bedrijfswoning had moeten worden bestemd vanwege een recht van eerste koop en mogelijke toekomstige bedrijfswoninggebruik. De Raad overwoog dat sinds 1977 geen relatie meer bestaat tussen de woning en het agrarische bedrijf en dat privaatrechtelijke verhoudingen niet doorslaggevend zijn voor de ruimtelijke ordening.
Verder werd betoogd dat onvoldoende onderzoek naar luchtkwaliteit was verricht, met name gezien een vergunning voor uitbreiding van het melkveebedrijf. De raad liet aanvullend onderzoek uitvoeren waaruit bleek dat de luchtkwaliteit ter plaatse niet leidt tot overschrijding van normen en geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat veroorzaakt. De Raad paste artikel 6:22 Awb Pro toe en oordeelde dat appellanten niet zijn benadeeld.
Ten slotte werd geluid als bezwaar ingebracht, verwijzend naar een rapport dat nieuwe agrarische woningen binnen 50 meter van een weg niet toestaat vanwege geluid. De Raad stelde dat dit belang niet strekt tot bescherming van appellanten en paste artikel 8:69a Awb toe, waardoor deze grond buiten beschouwing bleef. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de raad werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan Rijnenburg wordt ongegrond verklaard en de raad wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.