ECLI:NL:RVS:2016:1374
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak inzake intrekking verblijfsvergunning wegens middelenvereiste
De staatssecretaris heeft op 14 oktober 2013 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling met terugwerkende kracht tot 5 juli 2010 ingetrokken wegens niet voldoen aan het middelenvereiste. De vreemdeling maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling en haar referent onvoldoende inspanningen hadden verricht om werk te vinden en verklaarde het beroep gegrond.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde tegen het oordeel van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank ten onrechte het gewicht van factoren in de belangenafweging verkeerd had beoordeeld en onvoldoende rekening had gehouden met de motivering van de staatssecretaris omtrent de inspanningen van de vreemdeling en haar referent.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat de rechtbank een onjuist toetsingskader had gehanteerd bij de toetsing aan artikel 8 EVRM Pro, terwijl de staatssecretaris wel een volledige belangenafweging had gemaakt en alle relevante omstandigheden had betrokken, waaronder de banden van de vreemdeling en haar gezin met Irak en de afwezigheid van objectieve belemmeringen voor het gezinsleven buiten Nederland.
De Afdeling vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraken worden vernietigd.