ECLI:NL:RVS:2016:1384
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over bewaring vreemdeling en toetsing geldigheid Opvangrichtlijn
De vreemdeling werd op 11 december 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000, nadat hij was aangehouden wegens het gebruik van een vals reisdocument. De rechtbank Den Haag had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de bewaring opgeheven, mede vanwege een lopende prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie over de geldigheid van de toepasselijke bepalingen van de Opvangrichtlijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde in hoger beroep vast dat de prejudiciële procedure bij het Hof inmiddels was afgerond met een arrest van 15 februari 2016, waarin de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de Opvangrichtlijn werd bevestigd. De Afdeling paste deze overwegingen toe op de onder a en b genoemde gronden voor bewaring en concludeerde dat deze bepalingen geldig zijn en dat de bewaring van de vreemdeling rechtmatig was.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de duur van de prejudiciële procedure en het feit dat het een eerste aanvraag betrof, had meegewogen in de belangenafweging. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het besluit tot bewaring gehandhaafd. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en was er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is rechtmatig en het beroep tegen het besluit wordt ongegrond verklaard.