Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Partijen hebben beiden schriftelijk gereageerd en daarbij desgevraagd nog een inlichting verstrekt. Vervolgens is het onderzoek op 6 januari 2016 gesloten.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Iraanse asielzoeker, werd op 17 december 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vreemdelingenwet 2000, gebaseerd op de noodzaak tot vaststelling van identiteit en het verkrijgen van gegevens voor de asielaanvraag. Eiser betwistte de feiten waarop het besluit was gebaseerd en voerde onder meer aan dat hij onterecht werd vastgehouden en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast.
De rechtbank constateerde dat eiser terecht werd vastgehouden wegens gebruik van een vals paspoort en dat de vrijheidsberoving niet zonder titel was. De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging en motivering van de maatregel voldoende waren, ook met betrekking tot de psychische gesteldheid van eiser. Er was geen grond voor het toepassen van een lichter middel.
De kern van de zaak betrof echter de vraag of artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Opvangrichtlijn, die de basis vormt voor de nationale regeling, verenigbaar is met artikel 6 van Pro het Handvest en artikel 5 EVRM Pro. Dit vanwege het feit dat asielzoekers volgens de Procedurerichtlijn het recht hebben om te blijven totdat in eerste aanleg op hun verzoek is beslist, en bewaring niet mag worden opgelegd zonder oogmerk van verwijdering.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring niet gericht is op verwijdering zolang geen terugkeerbesluit is genomen en dat dit mogelijk strijdig is met het Handvest en EVRM. Daarom stelde de rechtbank een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie over de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, Opvangrichtlijn in deze context. De behandeling van het beroep is geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De rechtbank stelt prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie en schorst de behandeling tot het Hof uitspraak doet over de geldigheid van artikel 8, derde lid, Opvangrichtlijn.