ECLI:NL:RVS:2016:1493
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Belastingdienst tot herziening voorschot kinderopvangtoeslag na vijf jaar
In deze zaak heeft appellant sub 1 bezwaar gemaakt tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen waarbij het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 werd herzien en definitief op nihil werd vastgesteld, met terugvordering van € 6.990,00. De rechtbank Rotterdam had het beroep gegrond verklaard en het besluit van 29 oktober 2014 vernietigd. Zowel appellant sub 1 als de Belastingdienst/Toeslagen gingen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak behandeld en onderzocht of de Awir een grondslag biedt voor het herzien van een voorschot of definitieve vaststelling van een toeslag op een lager bedrag dan het voorschot na het verstrijken van de termijnen van artikel 19 en Pro 21 Awir. Verschillende rechtbanken hadden hierover uiteenlopende oordelen gegeven.
De staatsraad advocaat-generaal concludeerde dat de bevoegdheid van de Belastingdienst/Toeslagen om een voorschot te herzien of de toeslag definitief vast te stellen op een lager bedrag na vijf jaar vervalt. De Afdeling volgt deze conclusie en oordeelt dat de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot van appellant sub 1 niet mocht herzien na vijf jaar en de toeslag definitief op het laatst toegekende voorschot van € 6.990,00 moet worden vastgesteld.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen, verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond en dat van de Belastingdienst/Toeslagen ongegrond, en veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: De kinderopvangtoeslag wordt definitief vastgesteld op het laatst toegekende voorschotbedrag van € 6.990,00 en de herziening en terugvordering door de Belastingdienst worden vernietigd.