ECLI:NL:RVS:2016:1501
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- N. Verheij
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Belastingdienst tot herziening voorschot kinderopvangtoeslag na termijn van vijf jaar
In deze zaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2007 aan appellante herzien en op nihil gesteld, met terugvordering van €12.552,00. Appellante stelde dat de herziening onrechtmatig was omdat de wettelijke termijn van vijf jaar voor herziening was verstreken. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit oordeel vernietigd.
De Afdeling onderzocht de wettelijke bepalingen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en concludeerde dat de Belastingdienst/Toeslagen bevoegd is een voorschot te herzien zolang de toeslag niet definitief is vastgesteld, maar dat deze bevoegdheid vervalt vijf jaar na het einde van het berekeningsjaar waarop de toeslag betrekking heeft. De termijnen in artikel 19 Awir Pro zijn niet fataal voor de bevoegdheid, maar de termijn van vijf jaar uit artikel 21, tweede lid, Awir is wel een harde grens.
De Afdeling oordeelde dat het voorschot een voorlopig karakter heeft en dat de definitieve vaststelling het sluitstuk is van het toeslagstelsel. Omdat in deze zaak zes jaar na het berekeningsjaar het voorschot werd herzien, was dit niet bevoegd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen, stelde de toeslag definitief vast op het oorspronkelijke voorschotbedrag en veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Belastingdienst was niet bevoegd het voorschot kinderopvangtoeslag na vijf jaar te herzien; de toeslag werd definitief vastgesteld op het oorspronkelijke voorschotbedrag van €12.552,00.