ECLI:NL:RVS:2016:1691
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling wegens medische redenen niet achterwege blijft
De vreemdeling met Armeense nationaliteit vroeg om uitstel van uitzetting vanwege zijn medische situatie, waarbij behandeling in Armenië volgens hem niet effectief zou zijn door een onveilige behandelomgeving en een noodzakelijke vertrouwensband met zijn huidige behandelaars. De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en de staatssecretaris opgedragen uitstel van vertrek te verlenen tot 1 januari 2014.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het Bureau Medische Advisering (BMA) in haar advies voldoende concreet was ingegaan op de medische situatie en de effectiviteit van behandeling in Armenië. Het BMA stelde dat gevoelens van veiligheid subjectief zijn en niet medisch objectief te beoordelen, en dat er geen medische argumenten zijn om te veronderstellen dat een vertrouwensband met een nieuwe behandelaar niet mogelijk is.
De Raad van State oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het advies niet zorgvuldig tot stand was gekomen. Ook over de medicatie stelde de Raad dat er geen medische contra-indicaties waren voor alternatieve medicatie in Armenië. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.