ECLI:NL:RVS:2016:1779
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging gedeeltelijke intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wegens strijd met Kwalificatierichtlijn
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie trok bij besluiten van 16 oktober 2014 de verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd van twee vreemdelingen met terugwerkende kracht in tot respectievelijk 13 april 1993 en 2 juli 1993. De rechtbank Den Haag vernietigde deze besluiten en bepaalde een latere terugwerkende intrekking tot 30 en 22 oktober 2012. Zowel de vreemdelingen als de staatssecretaris stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing was op de intrekking van de verblijfsvergunningen. De verblijfsvergunningen zijn rechtstreeks verbonden aan de vluchtelingenstatus, waardoor artikel 14 van Pro de Kwalificatierichtlijn wel van toepassing is. Artikel 35 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 biedt weliswaar de mogelijkheid tot intrekking bij vestiging van het hoofdverblijf buiten Nederland, maar dit is niet in overeenstemming met de richtlijn.
De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de intrekking met terugwerkende kracht tot 2012 werd bepaald en bevestigde de rest van de uitspraak. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €992,00 aan de vreemdelingen.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de terugwerkende intrekking van de verblijfsvergunningen tot 2012 en bevestigt de rest van de uitspraak, met proceskostenvergoeding aan de vreemdelingen.