ECLI:NL:RVS:2016:2242
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging rechtbankuitspraak over rijvaardigheidsonderzoek na bevoegdheidsgeschil CBR
Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant een onderzoek naar rijvaardigheid op op grond van een mededeling van de politie over vermoedens van onvoldoende rijvaardigheid. De rechtbank Gelderland verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en vernietigde het besluit van het CBR, omdat onvoldoende was aangetoond dat de mededeling door een bevoegd persoon was gedaan.
In hoger beroep stelde het CBR dat de mededeling wel door een bevoegd mandaathouder was gedaan, gesteund op mandaat- en ondermandaatbesluiten. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank dit niet had onderkend en dat het CBR terecht nieuwe stukken mocht indienen.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid terecht was gebaseerd op het mutatierapport en het ambtseedproces-verbaal, die concreet en voldoende waren. Het incidenteel hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
De Afdeling vernietigde de eerdere uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarmee het besluit van het CBR stand houdt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot onderzoek naar rijvaardigheid blijft in stand.