ECLI:NL:RVS:2016:2422
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- E. Helder
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke handhaving omgevingsvergunningen en proceskostenvergoeding in Bodegraven
Het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk legde aan appellante een last onder dwangsom op voor het verwijderen van diverse bouwwerken en verhardingen op haar perceel, omdat deze zonder vereiste omgevingsvergunning waren gerealiseerd en in strijd waren met het bestemmingsplan. De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het handhavend optreden tegen de asfaltweg betrof, maar verklaarde het beroep verder ongegrond.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de bouwwerken al vóór het vergunningstelsel bestonden en onder overgangsrecht vielen, en dat het college onrechtmatig handhavend optrad. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat voor de berging en overkapping een omgevingsvergunning vereist was, dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze bouwwerken vóór het vergunningstelsel bestonden, en dat het beroep op overgangsrecht geen legaliserende werking heeft.
Verder werd geoordeeld dat het college terecht handhavend optrad tegen het grindpad en hekwerk, dat er geen concreet zicht op legalisering bestond vanwege strijd met het bestemmingsplan en provinciale structuurvisie, en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde. Wel werd de rechtbank vernietigd voor het niet toekennen van proceskostenvergoeding voor het onderzoek naar het asfalt, welke vergoeding werd vastgesteld op €300. Het beroep tegen de invordering van de dwangsommen werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en proceskostenvergoeding toegekend; het beroep tegen de invordering van dwangsommen is ongegrond.