ECLI:NL:RVS:2016:2514
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- A.B.M. Hent
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op kindgebonden budget bij wijziging verblijfsstatus en rechtmatig verblijf
De zaak betreft het geschil over het recht op kindgebonden budget van appellante sub 2 voor de periode januari tot en met juni 2013. De Belastingdienst/Toeslagen had het voorschot kindgebonden budget voor 2013 opnieuw vastgesteld op €509,00, omdat appellante sub 2 en haar echtgenoot in die periode geen rechtmatig verblijf zouden hebben gehad.
De rechtbank oordeelde dat het recht op kindgebonden budget gekoppeld is aan het recht op kinderbijslag, dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) had toegekend over heel 2013, en dat de Belastingdienst/Toeslagen een nieuw besluit moest nemen. De Belastingdienst/Toeslagen stelde echter dat ook rechtmatig verblijf vereist is volgens de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State overweegt dat het kindgebonden budget een inkomensafhankelijke regeling is en dat zowel de aanvrager als diens partner rechtmatig verblijf moeten hebben. De verblijfsvergunningen van appellante sub 2 en haar echtgenoot zijn met terugwerkende kracht gewijzigd, waardoor zij van 1 januari tot 24 juni 2013 geen rechtmatig verblijf hadden. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet als relevant beschouwd.
Het incidenteel hoger beroep van appellante sub 2, die stelde dat zij wel rechtmatig verblijf hadden gehad, wordt ongegrond verklaard omdat de Belastingdienst/Toeslagen terecht uitging van verblijfstitelcode 98 (geen rechtmatig verblijf) in die periode. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit van 15 oktober 2014 wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante sub 2 wordt ongegrond verklaard omdat zij geen rechtmatig verblijf had in de eerste helft van 2013, waardoor geen recht op kindgebonden budget bestaat voor die periode.