ECLI:NL:RVS:2016:2787
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over handhavingsverzoek Flora- en faunawet Fort Uitermeer
De stichting Flora & Faunabescherming Weesp verzocht de staatssecretaris om handhavend op te treden tegen vermeende overtredingen van de Flora- en faunawet (Ffw) bij werkzaamheden op Fort Uitermeer door Stichting Uiteraard Uitermeer. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna de rechtbank Midden-Nederland het besluit deels vernietigde en deels bevestigde. De stichting ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling behandelde diverse bezwaren van de stichting, waaronder de kwaliteit van ecologisch onderzoek, de aanwezigheid van beschermde diersoorten, de effecten van geplande werkzaamheden en de toepassing van de Gedragscode Natuurbeheer. Uitvoerige rapporten en aanvullend onderzoek door diverse deskundigen toonden aan dat geen vaste verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten werden aangetroffen en dat de voorgenomen activiteiten geen klaarblijkelijke overtredingen van de Ffw veroorzaken.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten niet handhavend op te treden. Ook de stellingen over onvoldoende onderzoek, effecten van verlichting, uitbaggeren van grachten en eerdere kapwerkzaamheden werden verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De Afdeling benadrukte dat de beoordeling van handhaving moet plaatsvinden op basis van concrete dreiging van overtreding met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid en dat de onderzoeksrapporten en het Activiteitenplan voldoende inzicht bieden. Tevens is het feit dat sommige werkzaamheden pas na 2020 gepland zijn en dat ontheffingen voor gebruiksfase nog kunnen worden aangevraagd, relevant. De Gedragscode Natuurbeheer was niet van toepassing op de onderzochte werkzaamheden.
De uitspraak bevestigt dat bestuursrechtelijke handhaving in natuurbeschermingszaken zorgvuldig en op basis van gedegen ecologisch onderzoek moet plaatsvinden, waarbij ook toekomstig gebruik en ontheffingen worden betrokken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.