ECLI:NL:RVS:2016:2910
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek kinderopvangtoeslag 2009-2011
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing door de Belastingdienst/Toeslagen van haar verzoek tot herziening van de definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag over de jaren 2009, 2010 en 2011. De rechtbank had eerder het bezwaar van appellant tegen de afwijzing niet-ontvankelijk verklaard, maar het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen.
De appellant voerde onder meer aan dat de Belastingdienst niet bevoegd zou zijn geweest om de toeslagen na het verstrijken van bepaalde beslistermijnen te herzien en dat zij onvoldoende in de gelegenheid was gesteld om haar bezwaargronden toe te lichten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de beslistermijnen in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet zodanig fataal zijn dat de Belastingdienst niet bevoegd zou zijn geweest tot herziening binnen vijf jaar na het toeslagjaar.
De Afdeling bevestigde dat het ontbreken van een overeenkomst conform de Wet kinderopvang en het niet aantonen van volledige betaling van de kosten de grondslag vormden voor de nihilstelling van de toeslagen. Tevens oordeelde de Afdeling dat appellant voldoende duidelijk was waarom de toeslagen waren vastgesteld en dat zij voldoende gelegenheid had gekregen om haar bezwaar te onderbouwen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.