ECLI:NL:RVS:2016:3370
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eigen bijdrage bij rechtsbijstand na gegrondverklaring cassatieberoep en terugwijzing strafzaak
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde tegen besluiten van de raad voor rechtsbijstand die een eigen bijdrage van €143 oplegden. Deze eigen bijdrage werd opgelegd ondanks dat de Hoge Raad de cassatieberoepen van appellant gegrond verklaarde en de zaken terugwees naar het gerechtshof.
Appellant stelde dat de eigen bijdrage op nihil gesteld diende te worden omdat de strafzaken zonder oplegging van straf of maatregel waren geëindigd. De raad en rechtbank oordeelden echter dat de strafzaken niet waren geëindigd, omdat de zaken nog in behandeling zijn bij het gerechtshof. De Raad van State bevestigt dit oordeel en stelt dat pas na afloop van de gehele strafzaak kan worden beoordeeld of de eigen bijdrage op nihil moet worden gesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat de werkinstructie van de raad niet onverbindend is en in overeenstemming met artikel 44 van Pro de Wet op de rechtsbijstand. Het feit dat de strafzaken zijn terugverwezen naar het gerechtshof betekent dat de strafzaken nog niet zijn geëindigd zonder straf of maatregel. Ook het argument dat voor elke nieuwe aanleg eigen bijdragen moeten worden betaald, leidt niet tot het oordeel dat de werkinstructie onredelijk is.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat geen van de omstandigheden uit artikel 8:88 Awb Pro zich voordoen. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De eigen bijdrage van €143 wordt gehandhaafd omdat de strafzaken nog niet zijn geëindigd zonder straf of maatregel.