ECLI:NL:RVS:2016:585
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag
Bij verschillende besluiten van 27 augustus 2013 heeft de staatssecretaris de aanvragen van vreemdelingen en hun vader/echtgenoot om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, omdat aan hen artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag werd tegengeworpen. De vreemdelingen maakten bezwaar en voerden beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht het tien-jarenbeleid niet toepaste op aanvragen in het kader van de overgangsregeling, dat het onderscheid in de regeling tussen kinderen met of zonder een ouder aan wie artikel 1(F) is tegengeworpen objectief gerechtvaardigd is en dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van de vreemdelingen uitvalt. De door de vreemdelingen aangevoerde omstandigheden, zoals langdurig verblijf, psychische problematiek en vermissing van een zus, leiden niet tot een andere uitkomst.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak wordt bekrachtigd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunningaanvragen en verklaart het hoger beroep ongegrond.