ECLI:NL:RVS:2016:618
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging van boetes voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluiten van 19 december 2013 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan twee wederpartijen boetes op wegens overtreding van artikel 2 en Pro artikel 15 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Rotterdam matigde deze boetes met 50% vanwege een verminderde mate van verwijtbaarheid, omdat de wederpartijen dachten dat de vreemdeling een Italiaanse nationaliteit had op basis van een identiteitsdocument dat in werkelijkheid een Egyptische nationaliteit aangaf.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging en voerde aan dat de wederpartijen onvoldoende onderzoek hadden gedaan naar de nationaliteit van de vreemdeling, en dat de boetes niet gematigd behoorden te worden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat hoewel de wederpartijen het document onvoldoende onderzochten, de rechtbank terecht een verminderde verwijtbaarheid aannam gezien de omstandigheden, waaronder de bedrijfsvoering en eerdere naleving van de Wav.
De Afdeling stelde echter vast dat het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2 Wav Pro was verlaagd in 2015, waardoor de boetes opnieuw moesten worden vastgesteld. De boetes werden daarom verlaagd tot respectievelijk € 6.250 en € 5.125. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de wederpartijen.
Uitkomst: De boetes voor overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen worden gematigd en vastgesteld op respectievelijk € 6.250 en € 5.125.