ECLI:NL:RVS:2016:63
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na matiging
Bij besluit van 29 oktober 2013 legde de minister een boete van €48.000,00 op aan [appellante] wegens vier overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de minister bij de boeteoplegging een discretionaire bevoegdheid heeft en deze moet afstemmen op de mate van verwijtbaarheid en ernst van de overtreding. Hoewel de vreemdelingen werkzaamheden verrichtten zonder tewerkstellingsvergunning, was sprake van een situatie waarin [appellante] te goeder trouw handelde, mede op basis van informatie van een stichting en de ambassade.
Verder werd meegewogen dat andere vergelijkbare gevallen niet werden gecontroleerd of beboet, wat duidt op een lage prioriteit van opsporing. De Raad matigde de boete daarom met 50%, waardoor deze werd vastgesteld op €16.000,00. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het besluit van de minister herroepen.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen is gematigd tot €16.000,00.