ECLI:NL:RVS:2016:843
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering kindgebonden budget en verzoek afzien invordering
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel inzake de terugvordering van het kindgebonden budget over de jaren 2009, 2010 en 2011 door de Belastingdienst/Toeslagen. De Belastingdienst had het budget definitief vastgesteld op nihil en de reeds uitbetaalde bedragen teruggevorderd vanwege gewijzigde inkomensgegevens.
Appellant maakte bezwaar en verzocht tevens om af te zien van invordering op grond van zijn toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP). De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de besluiten van 2010 en 2011 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding en wees het bezwaar tegen het besluit van 2009 af. Tevens wees zij het verzoek om af te zien van invordering af.
De Afdeling bestuursrechtspraak constateert dat de rechtbank ten onrechte niet op het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2013 is ingegaan en vernietigt dit deel van de uitspraak. Na inhoudelijke beoordeling verklaart de Afdeling het bezwaar tegen dit besluit ongegrond. Het bezwaar tegen de besluiten van 2010 en 2011 is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om af te zien van invordering is niet-ontvankelijk omdat hierover eerst bezwaar moet worden gemaakt. De Belastingdienst dient dit verzoek als bezwaarschrift te behandelen.
De Afdeling bevestigt de overige onderdelen van de uitspraak en veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2013 wordt ongegrond verklaard; het beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring van bezwaren over 2010 en 2011 wordt afgewezen; het verzoek om af te zien van invordering is niet-ontvankelijk.