ECLI:NL:RVS:2016:870
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen door exploitant saunaclub
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 2 mei 2014 een boete van €72.000,00 op aan een exploitant van een saunaclub wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van de exploitant gegrond en vernietigde het besluit van de minister. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het bestaan van een gezagsverhouding als bepalend had gesteld voor het werknemerschap van de vreemdelingen, terwijl het ruime werkgeversbegrip in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) geldt. De vreemdelingen hadden geen verblijfsvergunning voor zelfstandigen en verrichtten arbeid als prostituees binnen de saunaclub, waarbij de exploitant als feitelijk werkgever kon worden aangemerkt.
Hoewel de exploitant zich had beroepen op het ontbreken van verwijtbaarheid, oordeelde de Afdeling dat zij onvoldoende had gedaan om de overtreding te voorkomen en dat de boete passend moest worden gematigd. De boete werd vastgesteld op €48.000,00, gebaseerd op het verlaagde boetenormbedrag van €8.000,00 per overtreding. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de boete van de minister herroepen, waarna de Afdeling zelf in de zaak voorzag door de boete vast te stellen en de proceskosten te bepalen.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en stelt de boete op €48.000,00 vast.