ECLI:NL:RVS:2016:968
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergoedingen rechtsbijstand wegens niet-noodzakelijkheid
Bij verschillende besluiten van 10 september 2014 heeft de Raad voor Rechtsbijstand vergoedingen voor verleende rechtsbijstand aan appellant ingetrokken na een steekproefsgewijze controle. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat rechtsbijstand niet noodzakelijk was omdat de belangen van cliënten redelijkerwijs zelf behartigd konden worden.
De Raad van State overwoog dat volgens de Wet op de rechtsbijstand geen rechtsbijstand wordt verleend indien het belang redelijkerwijs door de aanvrager zelf kan worden behartigd. Hoewel in beide zaken juridisch verweer werd gevoerd, was het verweer van feitelijke aard en kon de behartiging van het belang aan de cliënten zelf worden overgelaten. Het beleid van de Raad om in bezwaar tegen intrekking van een uitkering wel een toevoeging te verstrekken, maar niet bij afwijzing van een aanvraag, is niet willekeurig omdat de feitelijke situatie bij intrekking wijzigt, maar bij afwijzing niet.
De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de intrekking van de vergoedingen omdat rechtsbijstand niet noodzakelijk was.