ECLI:NL:RVS:2017:1222

Raad van State

Datum uitspraak
10 mei 2017
Publicatiedatum
10 mei 2017
Zaaknummer
201607685/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 9 AwirArtikel 8 Vreemdelingenwet 2000Artikel 1 Eerste Protocol EVRM
Verwijzingen
13 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing voorschot huurtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf toeslagpartner

Bij besluit van 21 oktober 2015 stelde de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag voor 2015 aan appellante op nihil wegens het niet-rechtmatig verblijf van haar toeslagpartner. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing, stellende dat het koppelingsbeginsel in haar situatie onredelijk is en inbreuk maakt op haar recht op familie- en gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling beperkte het geschil tot de vraag of het nihil stellen van het voorschot een ongerechtvaardigde inmenging vormt in de zin van artikel 8 EVRM Pro.

De Afdeling overwoog dat artikel 8 EVRM Pro niet automatisch een recht op sociale uitkeringen zoals huurtoeslag garandeert en dat huurtoeslag niet is bedoeld om het bestaansminimum te waarborgen. De financiële situatie van appellante en de dreiging van uithuiszetting rechtvaardigen daarom geen uitzondering op artikel 9 Awir Pro. Het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen is niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot nihil stellen van het voorschot huurtoeslag wordt bevestigd.

Uitspraak

201607685/1/A2.
Datum uitspraak: 10 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2016 in zaak nr. 16/1914 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag aan [appellante] voor het jaar 2015 op nihil gesteld.
Bij besluit van 19 maart 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    [appellante] woont met haar echtgenoot en [toeslagpartner] en hun dochter in een huurwoning in Lelystad. [appellante] en haar dochter bezitten de Nederlandse nationaliteit en [toeslagpartner] is in het bezit van de Afghaanse nationaliteit. [toeslagpartner] heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland en tegen hem is een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar uitgevaardigd. [toeslagpartner] kan echter niet worden uitgezet naar Afghanistan of zelf daarnaar terugkeren vanwege het risico op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij besluit van 21 oktober 2015 bepaald dat [appellante] over 2015 geen recht heeft op voorschotten huurtoeslag, omdat haar toeslagpartner [toeslagpartner] geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft.
2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de voorschotten huurtoeslag terecht op nihil heeft gesteld. Zij voert aan dat het onbegrijpelijk is dat haar wordt tegengeworpen dat [toeslagpartner] bij haar in Nederland verblijft. Het koppelingsbeginsel strekt ertoe om te voorkomen dat illegale vreemdelingen door ontvangst van onder meer huurtoeslag in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf. Nu [toeslagpartner] vanwege het risico op marteling niet kan worden uitgezet, kan het koppelingsbeginsel niet tot het daarmee beoogde doel leiden, aldus [appellante]. Het koppelingsbeginsel leidt er wel toe dat zij wordt gedwongen om haar echtgenoot uit huis te zetten om in aanmerking te komen voor de noodzakelijke huurtoeslag om zelf niet uit huis te worden gezet. Voorts is zij vanwege de aanwezigheid van haar echtgenoot uit de schuldsanering gezet en zijn de schulden hoog. Dat zij wordt gedwongen om haar echtgenoot op straat te zetten, is een ongerechtvaardigde inmenging in het recht op respect voor haar familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM op grond waarvan de Belastingdienst/Toeslagen alsnog huurtoeslag had moeten toekennen.
3.    De Afdeling dient allereerst de omvang van het geding te bepalen, nu [appellante] zich ter zitting tevens heeft beroepen op onder meer artikel 14 van Pro het EVRM en artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. In het hogerberoepschrift heeft [appellante] zich enkel beroepen op artikel 8 van Pro het EVRM en in de in het hogerberoepschrift gestelde feiten ziet de Afdeling voorts geen aanleiding om de rechtsgronden aan te vullen. Het geschil beperkt zich derhalve tot de vraag of het op nihil stellen van het voorschot huurtoeslag een ongerechtvaardigde inmenging is in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM.
3.1.    Artikel 8 van Pro het EVRM luidt:
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 9 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) luidt:
[…]
2. Ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, heeft de belanghebbende geen aanspraak op een tegemoetkoming.
[…]
3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraken van 14 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1729 en 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:105) beoogt artikel 8 van Pro het EVRM niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan het onder omstandigheden ook aan het recht inherente, positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op familie- en gezinsleven. Gelet op het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Domenech Pardo tegen Spanje, beslissing van 3 mei 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0503DEC005599600, kan niet worden uitgesloten dat, hoewel het EVRM als zodanig niet een recht op uitkering waarborgt, in bepaalde omstandigheden de weigering om een sociale uitkering toe te kennen problemen kan opleveren uit het oogpunt van artikel 8 van Pro het EVRM, bijvoorbeeld indien ten gevolge van die weigering de normale ontwikkeling van het familie- en gezinsleven van de minderjarige onmogelijk wordt gemaakt.
De Afdeling heeft ook eerder overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1939) dat de verstrekking van een (voorschot) huurtoeslag niet strekt tot het waarborgen van het bestaansminimum. Dit betekent dat uit artikel 8 van Pro het EVRM geen positieve verplichting voortvloeit tot verstrekking van huurtoeslag. Huurtoeslag behoort niet tot de sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen (met kinderen) onder het bestaansminimum leven. Omdat de huurtoeslag niet strekt tot het waarborgen van een bestaansminimum, kunnen de gestelde slechte financiële situatie en de dreigende uithuiszetting van [appellante] niet leiden tot de conclusie dat artikel 9, tweede lid, van de Awir wegens strijd met artikel 8 van Pro het EVRM buiten toepassing moet worden gelaten.
De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen dat [appellante] voor het toeslagjaar 2015 geen recht heeft op huurtoeslag in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Hieruit volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen terecht het voorschot huurtoeslag voor het jaar 2015 op nihil heeft gesteld.
Het betoog faalt.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.
5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Van Ettekoven    w.g. Rijsdijk
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2017
705.