ECLI:NL:RVS:2017:1416
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste gegevens in eerdere procedure
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 20 januari 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen omdat zij in een eerdere procedure onjuiste gegevens had verstrekt. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 15 juni 2016 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 december 2016 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de wettelijke bepalingen op grond waarvan de aanvraag was afgewezen, namelijk artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, onverbindend zijn wegens strijd met Europese richtlijnen. Dit betekent dat de staatssecretaris niet bevoegd is op die grond de aanvraag af te wijzen.
De grief van de staatssecretaris dat de rechtbank dit niet had onderkend, faalt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd griffierecht geheven.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.