Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2017:1416

Raad van State

Datum uitspraak
29 mei 2017
Publicatiedatum
30 mei 2017
Zaaknummer
201700059/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 16 Vw 2000Art. 3.77 Vb 2000Art. 16, tweede lid, aanhef en onder a, richtlijn 2003/86/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste gegevens in eerdere procedure

De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft op 20 januari 2016 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen omdat zij in een eerdere procedure onjuiste gegevens had verstrekt. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 15 juni 2016 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 december 2016 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat de wettelijke bepalingen op grond waarvan de aanvraag was afgewezen, namelijk artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, onverbindend zijn wegens strijd met Europese richtlijnen. Dit betekent dat de staatssecretaris niet bevoegd is op die grond de aanvraag af te wijzen.

De grief van de staatssecretaris dat de rechtbank dit niet had onderkend, faalt. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en werd griffierecht geheven.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.

Uitspraak

201700059/1/V1.
Datum uitspraak: 29 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 december 2016 in zaak nr. 16/13603 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 15 juni 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard (lees: het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd) en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.A. van Harmelen, advocaat te Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De staatssecretaris heeft de aanvraag met toepassing van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 afgewezen omdat de vreemdeling in een eerdere procedure onjuiste gegevens heeft verstrekt.
2.    De staatssecretaris klaagt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de vreemdeling heeft tegengeworpen dat zij in een eerdere procedure onjuiste gegevens heeft verstrekt. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij, gelet op de onder 1. vermelde bepalingen, bevoegd is de aanvraag af te wijzen reeds omdat de vreemdeling in een eerdere procedure onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt die tot afwijzing van een aanvraag hebben geleid.
3.    Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1109, is artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vw 2000, voor zover hierin is bepaald dat de staatssecretaris een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan afwijzen indien een vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van een eerdere aanvraag tot het verlenen, verlengen of wijzigen van een visum of een verblijfsvergunning hebben geleid, wegens strijd met artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2003/86/EG (PB 2003 L 251), onverbindend. Gelet op voormelde uitspraak is artikel 3.77, zevende lid, van het Vb 2000 eveneens onverbindend.
De grief faalt.
4.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.    De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Hent    w.g. De Keizer
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2017
716.