ECLI:NL:RVS:2017:1459
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen buiten behandeling stellen verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde op 27 mei 2016 het verzoek van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde, met de opdracht aan de staatssecretaris om een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat het feit dat Duitsland niet tijdig op een terugnameverzoek heeft beslist, waardoor een zogenaamd fictief claimakkoord ontstaat, gelijkstaat aan een uitdrukkelijke aanvaarding van het terugnameverzoek. Dit maakt geen verschil in de beoordeling van deze zaak.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer onder leiding van mr. G. van der Wiel.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot buiten behandeling stellen blijft in stand.