ECLI:NL:RVS:2017:75
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Verantwoordelijkheid lidstaat bij asielaanvraag volgens Dublinverordening
De vreemdeling uit Syrië diende op 21 januari 2016 een asielaanvraag in in Nederland, maar de staatssecretaris wees deze af omdat Duitsland verantwoordelijk werd gehouden op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Raad van State overwoog dat de Dublinverordening beoogt te voorkomen dat asielzoekers forumshopping plegen door hun verzoek in meerdere lidstaten in te dienen. Een verzoek om internationale bescherming is vormvrij en wordt geacht te zijn gedaan zodra de wens kenbaar is gemaakt aan bevoegde autoriteiten, ook zonder formele indiening.
Uit het Eurodac-systeem bleek dat de vreemdeling op 17 januari 2016 in Duitsland zijn asielwens kenbaar maakte en een BÜMA-document ontving, waarmee hij rechtmatig verblijf en voorzieningen kreeg. Daarmee is Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van zijn asielverzoek.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris handelde terecht door de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland als verantwoordelijke lidstaat was vastgesteld.
Uitkomst: De asielaanvraag van de vreemdeling wordt niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.