ECLI:NL:RVS:2017:1702
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A.W.M. Bijloos
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens misbruik van recht bij Wob-verzoek
Bij brief van 23 oktober 2014 diende appellant een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Groningen om documenten te ontvangen over ingebrekestellingen in verband met Wob-verzoeken. Het college wees dit verzoek af omdat het niet was gericht op openbaarmaking voor eenieder, maar op het incasseren van dwangsommen of proceskosten. De rechtbank verklaarde dit besluit onterecht en vernietigde het besluit van het college.
Het college stelde incidenteel hoger beroep in en voerde aan dat appellant misbruik maakte van zijn bevoegdheid door het Wob-verzoek niet te richten op openbaarmaking voor eenieder. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het verzoek wel degelijk als Wob-verzoek moest worden aangemerkt, maar dat appellant en zijn gemachtigde misbruik van recht maakten door het verzoek te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven, namelijk het incasseren van proceskosten.
De Afdeling volgde eerdere jurisprudentie waarin soortgelijke verzoeken van appellant en zijn gemachtigde als misbruik van recht werden aangemerkt. Gezien dit misbruik had appellant geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard. Het incidenteel hoger beroep van het college werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep bij de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.