ECLI:NL:RVS:2017:1812
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit college over niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens onvoldoende specifieke machtiging
Appellante verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten met betrekking tot een verkeersboete. Het college besloot op 4 maart 2015 tot gedeeltelijke openbaarmaking en verklaarde het bezwaar van appellante op 22 april 2015 niet-ontvankelijk wegens een onvoldoende specifieke machtiging van haar gemachtigde.
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid, omdat de overgelegde machtiging te ruim was geformuleerd en niet voldeed aan de vereisten om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te bepalen. Appellante stelde in hoger beroep dat de machtiging wel voldoende specifiek was en verwees naar jurisprudentie die een ruime formulering toestaat.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de machtiging, hoewel algemeen, voldoende specifiek is omdat deze betrekking heeft op het onderhavige geschil en het instellen van beroep tegen het besluit van 22 april 2015. De rechtbank had ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het besluit van het college dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, wordt vernietigd. Tevens veroordeelt de Afdeling het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.