ECLI:NL:RVS:2017:3367
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G.T.J.M. Jurgens
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toeslagpartner bij kindgebonden budget en inschrijving in BRP
De Belastingdienst stelde het kindgebonden budget van [wederpartij] over 2014 definitief vast op nihil, omdat zij op grond van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) werd aangemerkt als toeslagpartner van een meerderjarige die tijdelijk bij haar woonde. De rechtbank vernietigde dit besluit en stelde het budget vast op €163,00, omdat zij oordeelde dat de wettelijke partnerregeling niet van toepassing was op deze situatie van tijdelijke opvang.
In hoger beroep oordeelt de Raad van State dat artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) een dwingendrechtelijke bepaling is. De inschrijving van de meerderjarige op hetzelfde woonadres met medeweten en instemming van [wederpartij] leidt ertoe dat sprake is van een toeslagpartnerschap, ongeacht de tijdelijke aard van het verblijf.
De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van [wederpartij] ongegrond. De Belastingdienst heeft terecht het toetsingsinkomen van de toeslagpartner meegewogen bij de vaststelling van het kindgebonden budget. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het beroep van [wederpartij] ongegrond en bevestigt dat de Belastingdienst terecht uitgaat van een toeslagpartnerschap op grond van inschrijving in de BRP.