ECLI:NL:RVS:2017:3550

Raad van State

Datum uitspraak
20 december 2017
Publicatiedatum
21 december 2017
Zaaknummer
201708786/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:54 AwbArt. 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank wegens nalaten proceskostenvergoeding in vreemdelingenzaak

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 augustus 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een ongegrond verklaard bezwaar door de staatssecretaris volgde een beroep bij de rechtbank Den Haag, die op 5 oktober 2017 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze constateerde dat de rechtbank weliswaar een schending van een geschreven rechtsregel had vastgesteld, maar ten onrechte deze naliet te sanctioneren met een proceskostenveroordeling tegen de staatssecretaris. De Raad oordeelde dat de rechtbank de staatssecretaris had moeten veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling had gemaakt.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van het vonnis waarin de proceskostenvergoeding werd nagelaten, bevestigde de rest van het vonnis en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €1485,00 en het griffierecht van €418,00. Hiermee is de vreemdeling financieel gecompenseerd voor de kosten van de beroepsprocedure.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

201708786/1/V1.
Datum uitspraak: 20 december 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 oktober 2017 in zaak nr. 17/10058 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 april 2017 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 oktober 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.R. van der Linde, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De vreemdeling klaagt in de derde grief dat de rechtbank ten onrechte het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft gepasseerd zonder daarbij de staatssecretaris te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.
1.1.    De rechtbank heeft in beroep de schending van een geschreven rechtsregel geconstateerd. Zij heeft aanleiding gezien om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, maar heeft afgezien van een proceskostenveroordeling. Gelet op het geconstateerde gebrek, had de rechtbank de staatssecretaris moeten veroordelen tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten.
De grief slaagt.
2.    Hetgeen overigens in het hogerberoepschrift is aangevoerd kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.
3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.
4.     De staatssecretaris wordt op de hierna te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 oktober 2017 in zaak nr. 17/10058, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de staatssecretaris tot vergoeding van de bij de vreemdeling met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten te veroordelen;
III.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1485,00 (zegge: duizend vierhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Hanrath
voorzitter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2017
392.