ECLI:NL:RVS:2017:424
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €12.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank had deze boete gematigd tot €8.000. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat de boete op basis van de Beleidsregel boeteoplegging Wav 2016, die gunstiger is voor appellant, berekend moest worden. Dit leidde tot een boete van €6.000, die de minister niet betwistte. Daarnaast werd een verdere matiging van 50% toegepast wegens de incidentele aard van de arbeid van een van de vreemdelingen, waardoor de boete werd vastgesteld op €4.500.
Appellant voerde meerdere bezwaren aan, waaronder strijd met het gelijkheidsbeginsel, onrechtmatig bewijs en procedurele onzorgvuldigheden, maar deze werden afgewezen. De Raad bevestigde dat appellant als feitelijk werkgever verantwoordelijk is en dat de minister bevoegd was het bewijs uit het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover de boete op €8.000 werd vastgesteld en bevestigd voor het overige. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen is gematigd tot €4.500 en het hoger beroep is gegrond verklaard.