ECLI:NL:RVS:2014:1697
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel op grond van Dublinverordening III
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de staatssecretaris. De voorzieningenrechter had het beroep ongegrond verklaard, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag welke Dublinverordening van toepassing is op het verzoek om internationale bescherming en welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De vreemdeling stelde dat de overgangsregels van Dublinverordening III onjuist waren toegepast, met name dat de datum van het formele verzoek bepalend is en niet de datum van melding bij de autoriteiten.
De Raad van State oordeelde dat het verzoek om internationale bescherming geacht wordt te zijn ingediend op het moment van het formele verzoek op 14 januari 2014, waardoor Dublinverordening III van toepassing is. Hoewel de Italiaanse autoriteiten reeds eerder hadden ingestemd met overname, leidt dit niet tot een andere uitkomst. Ook het beroep op artikel 8 van Pro Dublinverordening III faalde omdat de zus van de vreemdeling niet als familielid wordt aangemerkt en de vreemdeling niet minderjarig is.
De Raad van State bevestigt daarmee de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het hoger beroep kennelijk ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.