ECLI:NL:RVS:2016:1833
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening
De vreemdeling diende op 21 oktober 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De staatssecretaris verzocht op 19 januari 2016 de Poolse autoriteiten om overname van de vreemdeling op basis van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat dit verzoek te laat was ingediend en dat de staatssecretaris verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag.
De Raad van State vernietigt deze uitspraak en stelt dat het formele asielverzoek van 21 oktober 2015 als startpunt geldt voor de termijn van drie maanden waarbinnen het overnameverzoek moet worden ingediend. Het verzoek van 19 januari 2016 is daarmee tijdig. Tevens oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris de vreemdeling niet onverwijld heeft moeten laten indienen, mede gezien de omstandigheden van een piek in de instroom.
Daarnaast faalt het beroep van de vreemdeling dat de overdracht aan Polen onevenredige hardheid zou opleveren. De staatssecretaris heeft aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten bescherming kunnen bieden. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.