ECLI:NL:RVS:2017:802
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag Nederlands paspoort wegens ontbreken Nederlanderschap
Appellant heeft in het verleden twee Nederlandse paspoorten gehad, maar de minister heeft haar aanvraag van 6 mei 2015 niet in behandeling genomen omdat zij volgens de minister niet de Nederlandse nationaliteit bezit. De naturalisatie van haar vader in 1997 bevatte een voorbehoud dat het Nederlanderschap werd onthouden aan minderjarige kinderen zonder verblijfsrecht voor onbepaalde tijd in Nederland of de Nederlandse Antillen en Aruba.
Appellant stelde dat uit de afgifte van paspoorten blijkt dat zij genaturaliseerd is en dat het Nederlanderschap niet verloren kan zijn zonder kennisgeving, verwijzend naar artikel 14 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap. De rechtbank ging hier niet op in, wat appellant betwistte. De Raad van State oordeelde dat het verstrekken van paspoorten niet gelijkstaat aan verkrijging van het Nederlanderschap en dat het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot verkrijging of behoud van het Nederlanderschap.
Verder is vastgesteld dat appellant het Nederlanderschap niet van haar vader kan ontlenen omdat zij geen verblijfsrecht had bij diens naturalisatiebesluit. Het ontbreken van kennisgeving over het niet verkrijgen van het Nederlanderschap door haar vader is niet relevant. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag van een Nederlands paspoort bevestigd.