ECLI:NL:RVS:2017:849
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Belastingdienst moet toeslagen 2014 opnieuw berekenen wegens onterecht verblijfpartner
Appellante kreeg in 2013 en 2014 huur-, zorg- en kinderopvangtoeslag toegekend. De Belastingdienst stelde echter vast dat haar echtgenoot in bepaalde periodes geen rechtmatig verblijf had, waardoor zij volgens artikel 9, tweede lid, Awir geen recht had op toeslagen en voorschotten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep erkende de Belastingdienst dat voor de periode 1 februari tot en met 31 juli 2014 ten onrechte geen toeslagen werden toegekend. De Raad van State oordeelde dat de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vaststaat en dat de Belastingdienst terecht de toeslagen heeft geweigerd voor de periodes waarin de echtgenoot geen rechtmatig verblijf had.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde het besluit over 2014 voor zover het de toeslagen betreft en bepaalde dat de Belastingdienst de toeslagen opnieuw moet berekenen, met uitzondering van de periodes waarin het verblijf van de echtgenoot rechtmatig was. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de Belastingdienst moet de toeslagen over 2014 opnieuw berekenen.