ECLI:NL:RVS:2017:89
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J.C. Kranenburg
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit weigering exploitatievergunning seksinrichting
Appellant verzocht om een exploitatievergunning voor een seksinrichting met vier werkkamers, welke door de burgemeester op 22 december 2011 werd geweigerd. Na bezwaar en beroep werd uiteindelijk een vergunning voor drie kamers verleend op 14 september 2012. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat appellant daardoor schade leed doordat hij de drie kamers niet eerder kon exploiteren.
De kern van het geschil betrof de aanvangsdatum van de schadevergoeding. De burgemeester stelde dat de schadevergoeding pas kon aanvangen na het verstrijken van de beslistermijn inclusief eventuele verdagingen, terwijl appellant betoogde dat de schadevergoeding moest aanvangen bij het onrechtmatig besluit zelf.
De Afdeling oordeelde dat de verdagingstermijn niet relevant is voor de vaststelling van de schadeperiode bij een onrechtmatig besluit. De schadevergoeding moet derhalve aanvangen op 23 december 2011, de dag na het onrechtmatig besluit. De Afdeling verhoogde de schadevergoeding dienovereenkomstig en veroordeelde het college tot betaling van het aangepaste bedrag plus wettelijke rente en proceskosten.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van appellant gegrond verklaard en het besluit van de burgemeester van 30 maart 2015 vernietigd. De Afdeling trad zelf in de zaak en stelde de schadevergoeding vast op €29.275,96 plus rente en proceskosten.
Uitkomst: De schadevergoeding wordt vastgesteld vanaf 23 december 2011 tot 14 september 2012 op €29.275,96 plus wettelijke rente en proceskosten.